Klimaatagenda en de rol van Nederland in de CO2-transitie

  • Algemeen
Klimaatagenda en de rol van Nederland in de CO2-transitie

In de Energieagenda is weergegeven hoe Nederland stap voor stap bouwt richting een CO2-arme toekomst. Hierdoor moet Nederland de aangegane klimaatverbintenissen behalen. Dit zal flinke investeringen vergen en iedereen zal inspanningen moeten leveren, maar het is hoogtijd. De krijtlijnen van de Energieagenda en het toekomstig energiebeleid zijn hier terug te vinden.

Klimaatagenda en de rol van Nederland in de CO2-transitie

In het Klimaatakkoord van Parijs is overeengekomen om de opwarming van de aarde tot 2°C te beperken. Daarnaast is besloten dat de partijen zouden streven naar een beperking tot 1,5°C, zonder dat ze dit al te bindend wilden maken. Hoe dan ook houdt zelfs een beperking tot 2°C in dat we allemaal een drastische ommezwaai moeten maken en anders zullen moeten leven. Zowel de overheid als bedrijven en burgers zullen zich moeten aanpassen. Zo’n ommezwaai kan hoe dan ook niet ineens worden genomen, maar moet stap voor stap worden gerealiseerd. Daarom is de Energieagenda opgesteld. De Energieagenda maakt het langetermijnplan heel concreet en legt de krijtlijnen van het energiepad bloot.

De Energieagenda is natuurlijk samengesteld conform de Europese ambities. Hierbij werd meteen uitgegaan van 40% reductie van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990. In 2050 moet er zelfs sprake zijn van een reductie van 80%. Nederland voorziet een reductie van 95% ten opzichte van 1990. Dit houdt in dat de CO2-uitstoot in de energievoorziening naar nul moet gaan, omdat de uitstoot in andere sectoren, zoals de landbouw, moeilijker te beperken is.

Hoewel ons land heel ambitieus is, kiest het wel voor een ander pad. Het Europees beleid kiest namelijk voor een lineair transitiepad, terwijl wij in Nederland geleidelijk aan afbouwen tot ongeveer 24% in 2030 en vooral vanaf 2030 drastisch zullen versnellen. Dit zou voor ons land realistischer zijn. Op veel punten is deze visie reeds in beleid te herkennen, bijvoorbeeld als het over het uitdoofbeleid ten aanzien van de salderingsregeling gaat. We moeten ons hoe dan ook realiseren dat het mondiale effect beperkt zal zijn. Nederland vertegenwoordigt slechts 0,5% van de mondiale uitstoot, maar alle beetjes helpen uiteraard.

Momenteel is de keuze gemaakt om op korte termijn te focussen op CO2-reductiedoelen en pas nadien naar andere domeinen te kijken. Dit wil zeggen dat er op dit moment geen definitieve uitstap uit kernenergie zal worden gerealiseerd en dat er zelfs nog nieuwe kerncentrales kunnen openen.

Verduurzaming van de energieproductie

Eerst en vooral zal de energieproductie onder handen worden genomen. Dit is een ongelofelijk grote uitdaging. Enerzijds moet de CO2-reductie worden beperkt, maar anderzijds zal de elektriciteitsvraag door onder meer elektrische auto’s alleen maar toenemen. Deze netto-stijging wordt tussen 3 en 7% geschat in de periode tot 2030.

In de eerste plaats zal dit met het ETS-systeem worden gestuurd. Het ETS-systeem, het Europese systeem voor emissiehandel, is een systeem voor het verhandelen van uitstootrechten. Fabrieken, elektriciteitscentrales en andere installaties moeten hierbij rechten kopen om CO2 te mogen uitstoten. Nederland is echter realistisch en verwacht dat de prijs van deze CO2-rechten te laag is om bedrijven voor 2030 voldoende te prikkelen om duurzame investeringen te doen. Daarom zullen in deze eerste periode aanvullende maatregelen, zoals subsidies, noodzakelijk zijn om CO2-arme bronnen interessanter te maken.

Daarnaast wordt gewerkt met een routekaart 2023-2030 voor de grootschalige uitrol van windenergieproductie op zee. Hierbij wordt uitgegaan van een gelijkmatig tempo van ongeveer 1 GW extra windenergieproductie per jaar. Daarnaast wordt gezocht naar manieren om de energieproductie op zee voordeliger te maken, bijvoorbeeld door middel van samenwerking met de visserij en door onderzoek en ontwikkeling te ondersteunen. Het ultieme doel is dat windenergieproductie op zee vanaf 2026 voldoende interessant is opdat er geen subsidies meer voor hoeven te worden uitgeschreven. Ook de samenwerking met andere Noordzeelanden, waarvoor reeds een Noordzeeverklaring werd ondertekend, moet aan dit doel bijdragen.

Tegelijkertijd zal Nederland de lokale energieproductie ondersteunen, zowel bij burgers als coöperaties. Toch erkent het dat lokaal geproduceerde energie, bijvoorbeeld door zonnepanelen op het dak, duurder en minder kostenefficiënt is dan grootschalige hernieuwbare energieprojecten. Investeringen op lokaal niveau moeten dan ook vooral het bewustzijn vergroten en het draagvlak verbreden. Desondanks moeten ook lokale opwekkers in het verhaal worden betrokken. De afschaffing van de salderingsregeling, waarbij teruggeleverde energie een-op-een wordt weggestreept met afgenomen energie, gaat stap voor stap op de schop. Zo kan het elektriciteitsnet niet langer als virtueel opslagsysteem worden gebruikt. Er wordt aangenomen dat dit de interesse in thuisaccu’s zal aanmoedigen. Hierdoor wordt de vraag afgevlakt en is het niet langer nodig om gedurende de piekmomenten vervuilende centrales in te schakelen.

Wanneer vervuilende centrales worden uitgeschakeld, is het nodig om de leveringszekerheid op andere manieren te waarborgen. De piekvraagmomenten blijven een pijnpunt. Daarom voorziet de Energieagenda in een verhoogd interconnectiepercentage. Onder andere de COBRA-kabel naar Denemarken en de Doetinchem-Wesel-verbinding met Duitsland moet hiervoor zorgen. Hoe dan ook zal er flexibeler met energie moeten worden omgegaan. Ook hier wordt de burger in betrokken. Door over te stappen van de klassieke meter, die enkel per jaar gegevens vastlegt, naar slimme meters die per kwartier andere tarieven registreren, worden burgers aangemoedigd om op slimme momenten in te kopen. Deze energie kunnen ze vervolgens bijvoorbeeld op hun thuisaccu opslaan. Op deze manier kunnen burgers ook financieel de vruchten plukken van efficiënter netgebruik.

Onze overheid is bereid om te investeren in de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening en zet daarbij dan ook voornamelijk in op een stijging van de hernieuwbare elektriciteitsproductie en een toegenomen vraagflexibiliteit, wat belangrijk is als het aanbod ten gevolge van het grotere aandeel zon en wind minder stuurbaar wordt.

Verduurzaming van de hoge-temperatuur-industrie

Nederland behoort tot de wereldtop als het gaat om energie-intensieve industrie. Het gaat onder meer om de metaalsector, de chemie en de raffinage. Deze energie-intensieve industrie is verantwoordelijk voor een kwart van de CO2-uitstoot en daarom zal een forse innovatie-inspanning nodig zijn. Zoals eerder gezegd wordt verwacht dat de ETS-prikkel onvoldoende zal zijn en dat een voortzetting van het huidige beleid geen trendbreuk zal opleveren. In aanloop naar 2030 zal de overheid dan ook met normerende en verplichtende maatregelen komen in combinatie met stimulerende maatregelen zoals subsidies. Hierbij moet echter ook rekening worden gehouden met de concurrentiekracht van deze bedrijven. Onder andere het beperken van de degressiviteit in de energiebelasting wordt overwogen, maar daarnaast zal er sterk worden ingezet op samenwerking op bedrijven- en haventerreinen. De overheid wil eveneens meer inzetten op het stimuleren van het gebruik van geothermie bij industriële processen.

Hoe dan ook zal deze energie-intensieve industrie blijvend warmte opwekken. De restwarmte wordt momenteel nog maar weinig benut, maar daar moet verandering in komen. De restwarmte zou op openbare warmtenetten terecht moeten komen zodat andere gezinnen en bedrijven er gebruik van kunnen maken. De overheid verwacht dat bedrijven zelf zullen investeren in de afvang van hun restwarmte, maar zal wel het ruimtelijk beleid hierop afstemmen en de wet- en regelgeving vereenvoudigen.

Ten slotte geeft de Energieagenda aan dat er voor deze sectoren geen manieren zijn om grote CO2-reducties te realiseren bij de opwekking van de benodigde hoge temperaturen, behoudens het sterker inzetten op de al gecontesteerde biomassa. Het ziet zelfs na 2050 geen grote opportuniteiten. Daarom moet vooral de afvang van CO2 in deze sector worden verhoogd. Hierbij wordt afgevoerde CO2 als grondstof hergebruikt. Momenteel bestaan dergelijke toepassingen al in bijvoorbeeld de glastuinbouw. Om dit op grote schaal te realiseren, moet er echter worden ingezet op onderzoek en ontwikkeling. De overheid zal dergelijke O&O-trajecten stimuleren. Ook andere onderzoekstrajecten, zoals het gebruik van waterstof voor seizoensopslag, zullen op ondersteuning kunnen rekenen.

Verduurzaming van de lage-temperatuur-verbruikers

Ruim 30% van het totale energieverbruik in Nederland vindt zijn oorsprong bij de lage-temperatuurverbruikers. Het gaat dan bijvoorbeeld om kantoorgebouwen, de kleinschalige industrie en de verwarming van woningen. Deze verbruikers maken momenteel nog grotendeels gebruik van gas. Daar moet een einde aan komen.

Enerzijds houdt dit in dat er geen nieuwe gasnetten worden aangelegd voor nieuwbouwwijken. Deze nieuw te bouwen gebouwen moeten bovendien bijna energieneutraal zijn. De grootste uitdaging ligt echter bij het verduurzamen van bestaande gebouwen. Deze gebouwen zullen op een bepaald moment van het gasnet worden gehaald en moeten daar klaar voor worden gemaakt. Omdat dit de burgers hard treft, wordt er in een lange overgangsperiode voorzien. Burgers zullen vooral worden geprikkeld om bij bepalende investeringsmomenten, zoals een verhuizing, treffelijk te investeren. Subsidies, prijsprikkels, laagrentende leningen, voorlichting en ondersteuning staan daarbij centraal.

Omdat de gasproductie hierdoor drastisch zal worden verminderd, zullen op een bepaald moment mijnbouwmaatschappijen en gasmaatschappijen hun productiefaciliteiten moeten ontmantelen. De kosten hiervoor worden geraamd op ruim 7 miljard. Daarom moet er een waarborgsysteem komen dat zekerheid moet verschaffen dat zij aan deze opruimverplichtingen kunnen voldoen.

Verduurzaming van vervoer

De mobiliteitssector draait momenteel nog steeds hoofdzakelijk op fossiele brandstoffen. In het verleden is er sterk ingezet op het brandstofefficiënter maken van voertuigen, maar dit leverde niks op omdat tegelijkertijd het aantal gereden kilometers is toegenomen. Daarom wordt nu maximaal ingezet op zero-emissievoertuigen. De ambitie is dat tegen 2035 alle nieuw verkochte auto’s zero-emissievoertuigen zijn, zoals elektrische auto’s. Hiervoor moet nu al worden ingezet op de elektrificatie van de infrastructuur, met een sterke toename van het aantal laadpalen. In eerste instantie worden nieuwe of ingrijpend gerenoveerde commerciële gebouwen verplicht om laadpalen te plaatsen. Later zullen ook andere gebouwen aan de beurt komen. Het is hen wel toegestaan om de laadpaal rendabel te maken, bijvoorbeeld door een hogere prijs aan te rekenen dan deze van de gebruikte elektriciteit.

Naast de focus op elektrische auto’s wordt ook het openbaar vervoer verduurzaamd. Tegen 2050 moet de gehele spoorsector CO2-neutraal zijn. Daarnaast worden verplaatsingen per (elektrische) fiets aangemoedigd. Hierbij wordt sterk ingezet op fietsvriendelijke infrastructuur, een toename van het aantal veilige fietsenstallingen en veilige langeafstandsfietsverbindingen.

Binnen de luchtvaartsector valt slechts een beperkt voordeel te behalen, maar hier wordt vooral ingezet op het gebruik van biobrandstof. Dit levert een besparingspotentieel op van meer dan 80% en biedt kansen aan de eigen chemische industrie. Vanwege het behoud van de internationale concurrentiepositie worden er geen grote inspanningen verwacht op het gebied van scheepvaart.

Organisatie en kostprijs van de energietransitie

Het goede nieuws is dat we met deze inspanningen, op voorwaarde dat ook andere landen ons voorbeeld volgen, de gevolgen van de klimaatopwarming kunnen beperken. Een internationale aanpak is nodig om te garanderen dat ook andere landen het juiste doen. Het slechte nieuws is dat het een hoog prijskaartje zal hebben en er nog veel onduidelijkheid bestaat.

Internationale organisatie van de energietransitie

Het is niet logisch om de energietransitie enkel op nationaal niveau vorm te geven. Nederland is slechts voor 0,5% van de mondiale uitstoot van broeikasgassen verantwoordelijk, de gehele Europese Unie is verantwoordelijk voor 10,5% van de uitstoot. Het blijft belangrijk dat de grootste vervuilers, China en de Verenigde Staten, op dezelfde manier actie ondernemen. Nederland wil, net zoals Europa, een voortrekkersrol spelen. Desondanks is een internationale aanpak de enige juiste.

Op Europees niveau is er bijvoorbeeld nog veel werk aan de winkel. Zo moet het ETS-systeem zo worden georganiseerd dat het voor bedrijven daadwerkelijk interessanter wordt om te investeren in duurzame alternatieven in plaats van lukraak uitstootrechten te kopen. Ook is het belangrijk dat alle landen hun steentje bijdragen. Het zou niet logisch zijn als Nederland op groene energie draait, maar tegelijkertijd wel grijze energie afneemt bij buurlanden. Daarom moeten ook andere landen op hun plichten worden gewezen. Hierbij zetten we vooral in op een sterke regionale samenwerking in de Noordwest-Europese regio.

Nationale organisatie van de energietransitie

Waar het op internationaal niveau belangrijk is om op zo’n hoog mogelijk niveau actie te ondernemen, is het op nationaal niveau belangrijk om regionale actoren maatschappelijk te betrekken. Het is het Rijksniveau dat ambities formuleert en doelstellingen oplegt voor 2030 en 2050. Bovendien bewijst de praktijk dat het draagvlak vaak nog beperkt is, wat veel te maken heeft met onwetendheid. Daarom moet er een wetenschappelijke raad komen die beleidsmakers helpt bij het maken van de juiste keuzes en die ook de maatschappelijke dialoog vorm moeten geven.

Voor de daadwerkelijke uitwerking komt veel verantwoordelijkheid op regionaal niveau te liggen. Regionale besturen weten als geen ander waar er mogelijkheden liggen en hoe bepaalde wijken op de best mogelijke manier van het gas kunnen worden gehaald. Daarnaast zijn de regionale besturen verantwoordelijk voor de dialoog met lokale burgers en bedrijven. Door die laatsten hierin te betrekken, moet er uiteindelijk een bredere maatschappelijke laag ontstaan die de verregaande transitiemaatregelen steunt.

Kostprijs van de energietransitie

Aan de energietransitie is een ongelofelijk hoog prijskaartje verbonden. De World Energy Outlook van het Internationaal Energieagentschap spreekt van een wereldwijd prijskaartje van 40 biljoen dollar – zo’n 34.000.000.000.000 euro – om de ambitie van maximaal 2 graden stijging in 2050 te behalen. Dit prijskaartje heeft echter enkel betrekking op investeringen in de energiesector. Wat de investeringen in energie-efficiëntie betreft, komt daar nog eens 35 biljoen dollar bovenop – zo’n 30 biljoen euro. Bij het streven naar een stijging van 1,5 graden Celsius liggen de bedragen nog vele keren hoger.

Voor wat Nederland betreft, geeft het rapport van McKinsey & Company een kostprijs van 10 miljard euro per jaar aan om 80% reductie tegen 2050 te bereiken. Voor de verhoogde reductie van 95% komt daar per jaar nog eens 5 miljard euro bij. Andere onderzoeken spreken van 5 tot 15 miljard euro per jaar, afhankelijk van de mogelijkheden op het gebied van internationale samenwerking, de sociale gevolgen van de energietransitie en eventuele gunstige resultaten uit onderzoek en ontwikkeling. Er is met andere woorden nog een heel grote marge en er zijn nog te veel onzekerheden om een exacte kostenraming uit te brengen.

Veelgestelde vragen over de Energieagenda

nieuwe Omgevingswet Hoe draagt de nieuwe Omgevingswet bij aan de energietransitie?

De nieuwe Omgevingswet biedt nieuwe kansen om de warmte- en energietransitie te versnellen. De ingewikkelde wetgeving op het gebied van natuur, milieu en ruimtelijke ordening wordt namelijk beter op elkaar afgestemd. Ook gemeenten, waterschappen en provincies krijgen meer ruimte. Energie is daarbij een integraal onderdeel geworden van het omgevingsbeleid, net zoals natuur, milieu en de ruimtelijke kwaliteit. Omdat gemeenten meer vrijheid hebben, kunnen ze bijvoorbeeld zelf beslissen om strengere eisen op te leggen. Op lokaal niveau zullen inwoners ook mee kunnen discussiëren en meer invloed kunnen uitoefenen op het duurzaam beleid, bijvoorbeeld met denktanks en inspraakavonden. Dit moet het maatschappelijk draagvlak vergroten.

agenda emoji Wanneer zal elke woning van gas worden afgesloten?

In 2050 zou geen enkele woning in Nederland nog met aardgas mogen worden verwarmd. Nieuwe woningen worden nu al niet meer op het gasnet aangesloten. Voor sociale huurwoningen wordt de aanpassing gefaseerd doorgevoerd, met ongeveer 200 tot 400 woningen per keer. Het zijn de gemeenten, de energieproducenten en de woningcorporaties die hiervoor verantwoordelijk zijn. Verder kunnen gemeenten ook al vroeger bepaalde wijken van het gas halen. Daarbij wordt sterk ingezet op warmtenetten, maar ook dan moeten eigenaren de tijd krijgen om zich hierop voor te bereiden.

extra windmolens locatie Waar zullen de extra windmolens komen?

Een deel van de windmolens zullen op het land worden geplaatst. Uiteindelijk moet tegen 2030 35 TWh aan duurzame elektriciteit op het land worden opgewekt, maar dit omvat zowel wind- als zonne-energie. Het zijn de provincies die hun aandeel verzorgen. Het is moeilijk om daar nu al duidelijkheid over te scheppen omdat er veel partijen bij betrokken zijn, zoals maatschappelijke belangengroepen en omwonenden. Het is wel de bedoeling dat de windmolens zo min mogelijk overlast veroorzaken, goed passen in het landschap en rekening houden met natuuraspecten.

Daarnaast zullen er ook meer windmolens op zee komen. In 2030 moet er voor 11 GW aan windparken op zee staan. Omdat hier geen rekening moet worden gehouden met omwonenden en maatschappelijke belangengroepen, is hier al meer duidelijkheid over. Zo zal er een windpark komen bij IJmuiden (62 km van de kust), ten noorden van de Waddeneilanden (56 kilometer van de kust), voor de Hollandse westkust (53 km van de kust), de Hollandse noordkust (18,5 km van de kust) en de Hollandse zuidkust (18,5 km van de kust).

sociale gevolgen van de Energieagenda Wat zijn de sociale gevolgen van de Energieagenda?

Daarover bestaat nog veel onduidelijkheid. Hoe dan ook valt te verwachten dat er in sommige sectoren een daling in werkgelegenheid zal ontstaan, terwijl andere sectoren een stijging in werkgelegenheid zullen doormaken. In de praktijk zullen de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt nauwgezet moeten worden opgevolgd en zal er steeds snel moeten worden gereageerd. Ook van de burgers wordt er veel flexibiliteit en bereidheid verwacht, bijvoorbeeld door zich om te scholen. Indien nodig zullen zij zich met behoud van de WW-uitkering kunnen omscholen. Het is en blijft hoe dan ook de bedoeling om zoveel mogelijk mensen de voordelen van de energietransitie te laten voelen en de nadelen te beperken.

Energieagenda nodig Waarom is de Energieagenda nodig?

Om de klimaatopwarming tot 2°C te beperken. Om dit klaar te spelen, is een grondige aanpassing van onze manier van leven en werken nodig en zoiets lukt enkel met een langetermijnaanpak. Als we niks doen, koersen we af op een stijging van drie tot vier graden. De gevolgen daarvan mogen niet worden onderschat.

Natte gebieden zullen natter worden en droge gebieden droger, er zullen meer extreem warme en extreem koude dagen zijn, de moessonregens zullen sterker worden, de zeespiegel zal met 82 cm stijgen en tot 32% van de diersoorten zal uitsterven of met uitsterven bedreigd zijn. De landbouwopbrengsten zullen met ruim 25% afnemen en de voedselprijzen zullen sterk stijgen. Zonder maatregelen wordt zelfs een verdubbeling verwacht tegen 2050.

Wanneer de stijging tot 2°C wordt beperkt, zal de wereld nog steeds de gevolgen van de klimaatverandering merken. Zo zal ongeveer 24% van de wereldbevolking tegen grondwaterproblemen aanlopen en zullen 35% van de koraalriffen getroffen worden. De gevolgen zijn echter veel minder desastreus.